Berlijn (1922)

de morgenlucht is een bezoedeld kleed

een bladzij met een ezelsoor
een vlek

de stad
een half ontverfde vrouw

maar schokkend steigert zij den hemel in
als een blauw paard van Marc in 't luchtgareel

Berlijn

de zon is geel

(Wijmer, 2012)

 

Poëzieanalyse

Het gedicht heeft een erg vrije vorm. Er zit niet echt een ritme in het gedicht, hoewel wel opvalt dat het aantal regels per strofe afneemt. De eerste strofe bestaat namelijk uit drie regels (terzet), de tweede en derde strofen bestaan beide uit twee regels (distichon) en de laatste twee strofen bestaan beide uit nog maar één regel. Door deze structuur wordt duidelijk gemaakt dat na de laatste strofe alles gezegd is. Het gedicht is dan echt klaar en afgerond, omdat overgaan op nog minder strofen niet mogelijk is. Het beeld dat de dichter tot dan toe aan je gegeven heeft, is waar je het mee moet doen. Toch zullen de meeste lezers niet meteen begrijpen wat er wordt bedoeld met het gedicht. Zij zullen het gedicht daardoor nog een keer moeten gaan bekijken, iets dat ook vaak nodig is bij schilderijen uit dezelfde kunststroming als het gedicht (zoals een blauw paard van Marc). 

Naast het verband tussen het aantal regels per strofe, kent het gedicht ook nog een verband tussen de onderwerpen van de strofen.  Zo gaat de eerste strofe over de lucht, de tweede strofe over de stad, de derde strofe over de stad en de lucht, de vierde strofe weer over de stad en de laatste strofe over de lucht. Dit geeft de evenwichtige volgorde: lucht, stad, lucht en stad, stad, lucht.

In het gedicht kun je geen verhaaltje lezen. Het is duidelijk een beschrijving van de indruk en het gevoel dat Berlijn geeft. Deze indruk wordt, door het gebruik van verschillende methodes, als een soort schilderij van de situatie gegeven.

Beeldspraak

'De morgenlucht' is een metafoor, waarvan het object makkelijk uit het beeld te herleiden valt. Met 'de morgenlucht' wordt namelijk 'de lucht vroeg in de ochtend' bedoeld. 'morgen' geeft hier dus aan dat het over een momentopname van 'de lucht' gaat, namelijk 'vroeg in de ochtend'.

'De morgenlucht is een bezoedeld kleed', dit is een vergelijking met als, het object is 'de morgenlucht' en door het beeld 'bezoedeld kleed' krijgt de morgenlucht het karakter van vies en lelijk. Het woord 'is' wordt hier gebruikt om aan te geven dat de morgenlucht met iets wordt verbonden. Doordat 'de morgenlucht is' wordt gegeven in deze eerste regel, zou nu duidelijk moeten zijn dat de volgende metaforen in deze strofe nog steeds betrekking hebben op 'de morgenlucht'.

'Een bladzij met een ezels oor' is een metafoor, die betrekking heeft op de eerder genoemde 'morgenlucht'. De dichter heeft vanaf deze regel het object 'morgenlucht' en het verbindingswoord 'is' weggelaten.  De morgenlucht wordt hier weer vergeleken met iets dat lelijk en vies is. Bijzonder aan deze metafoor is dat het beeld 'een bladzij met een ezels oor' nauwelijks nog een eigenschap heeft waardoor je het in verband met het object 'de morgenlucht' zou brengen. Toch doet de dichter dat hier wel. Hij probeert hiermee duidelijk te maken hoe groot 'de morgenlucht' (voor hem) gelijkenissen toont met iets vies en lelijk en dat het daardoor zelfs op 'een bladzij met een ezels oor' lijkt.

'Een vlek', dit is weer een metafoor die betrekking heeft op het object 'de morgenlucht'. Een vlek is duidelijk iets vies en lelijk. De dichter versterkt met deze metafoor het karakter van 'de morgenlucht' als iets vies en lelijk dus nogmaals. Ook 'vlek' zou je kunnen zien als een beeld dat nog verder van het object 'de morgenlucht' af ligt. Normaal gesproken denkt men bij 'een vlek' namelijk aan een bevlekt voorwerp, zoals kleding. Een bevlekt voorwerp toont voor de meeste mensen nog minder gelijkenissen met 'de morgenlucht' dan 'een bladzij met een ezels oor'. Het lijkt erop dat de schrijver door de steeds groter wordende afstand tussen object en beeld een bepaalde spanning probeert te creëren tussen de woorden.

'De stad / een half ontverfde vrouw', dit is een vergelijking zonder als. Het object is 'de stad' en het beeld is 'een half ontverfde vrouw'. Met het beeld 'een half ontverfde vrouw' wordt 'de stad' gekarakteriseerd als iets dat lelijk en onaantrekkelijk is. Het woord 'is' wordt bij deze vergelijking nog steeds weggelaten, wat doet vermoeden dat de eerste en tweede strofe van het gedicht bij elkaar horen.

'schokkend steigert zij' is een personificatie. Zij slaat terug op de stad, welke wordt voorgesteld als een (schokkend steigerend) paard. Deze personificatie zorgt ervoor dat de stad dynamiek krijgt. De vergelijking met een paard kan er ook op duiden dat de dichter de stad als iets elegants wil voorstellen.

'den hemel' is een metafoor. 'den hemel' staat als beeld voor de lucht. Door het gebruik van deze metafoor probeert de dichter nu ook een positief beeld te geven van de lucht.

'schokkend steigert zij den hemel in / als een blauw paard van Marc in 't luchtgareel', dit is een vergelijk met als.  'een blauw paard van Marc' staat hier als beeld voor het object 'zij' (de stad). Het is een nadere toelichting van de manier waarop de stad 'steigert' en moet waarschijnlijk als iets positiefs worden gezien, omdat 'een blauw paard van Marc' kunst is en dus met iets dat mooie gevoelens kan opwekken in verband moet worden gebracht. Door in dit gedeelte van het gedicht weer een 'als-vergelijking' te geven, wordt een omslag van het gedicht aangeduid. Hierdoor is duidelijk dat er een einde is gekomen aan het eerste gedeelte, dat bestond uit de eerste twee strofen, en dat er nu een ommekeer in het gedicht komt.

't luchtgareel', dit is een metafoor. 't luchtgareel' is hier het beeld van het object 'de lucht'. Door de lucht als een 'gareel' te beschrijven, wordt de lucht verbonden met de stad. Het gareel 'de lucht' zit om de stad heen en hierdoor zijn deze dynamisch met elkaar verbonden.

'de zon' is een metafoor voor de lucht. Door de lucht hier als 'de zon' te verbeelden wordt nogmaals aangegeven dat het hier om iets dat een positief gevoel opwekt gaat.

'de zon is geel' is een als-vergelijking. Het beeld is hier 'geel' en het object is hier 'de zon'. Door de 'lucht' hier te vergelijken met 'geel' wordt duidelijk gemaakt dat de lucht vooral prettig kleurt, ook al werd deze in het begin nog vergeleken met iets vies. Het is duidelijk bedoeld als een positieve afsluiting van het gedicht.

Stijlfiguren

De makkelijkst te herkennen stijlfiguur in dit gedicht is de anafoor. Het gaat hier om het stukje 'een bezoedeld kleed / een bladzij met een ezelsoor / een vlek'. Zoals je kunt zien beginnen alle zinsdelen uit dit stukje met het woord 'een'.

De volgende stijlfiguur is een tautologie. In het stukje 'een bezoedeld kleed / een badzij met een ezelsoor / een vlek / een half ontverfde vrouw' wordt met vier verschillende metaforen een beschrijving gegeven van de situatie. Wanneer deze vier begrippen allemaal letterlijk genomen zouden worden, zou er geen sprake zijn van een tautologie. Alleen wanneer men kijkt naar het object dat deze vier metaforen ieder voorstellen, is er wel degelijk sprake van een tautologie. Iedere metafoor afzonderlijk is in dit gedicht namelijk een beeld voor het object 'vies en lelijk'. Er wordt door het meermalen herhalen van dit begrip extra veel nadruk gelegd op hoe 'vies en lelijk' de situatie is. De tautologie zorgt dus voor een versterkend effect van de waarde die een lezer aan de woorden zal hechten.

Het stukje 'een bezoedeld kleed / een badzij met een ezelsoor / een vlek' is een opsomming van zaken waarmee 'de morgenlucht' wordt vergeleken. Deze opsomming heeft hetzelfde effect als de hiervoor genoemde tautologie, namelijk het extra veel nadruk leggen op hoe 'vies en lelijk' de situatie is. De dichter heeft dit effect met deze opsomming nog meer weten te versterken door zowel een climax als een anticlimax in dit stukje te verwerken. De climax zit hem in het feit dat de beelden in de gebruikte metaforen steeds verder van het object 'de lucht' af komen te liggen, zoals bij het stukje beeldspraak is uitgelegd. Om de anticlimax in deze opsomming te zien, is het noodzakelijk de beelden van de metafoor te visualiseren in je gedachte. Het zal je dan direct duidelijk zijn dat het standaard beeld dat je van 'een kleed' hebt, groter is dan het beeld dat je van het voorwerp 'een bladzij' hebt. Het beeld dat je van 'een bladzij' hebt is op haar beurt weer groter dan het standaard beeld dat je van 'een vlek' hebt. De metaforen worden dus steeds kleiner. Door het groter maken van de afstand tussen het beeld en het object én tegelijkertijd het verkleinen van de omvang van de beelden, wordt op nog een extra manier geprobeerd de woorden kracht bij te zetten.

In het stukje 'een bezoedeld kleed / een badzij met een ezelsoor / een vlek / de stad / een half ontverfde vrouw' keert steeds dezelfde woordvolgorde terug. Ieder zinsdeel begint namelijk met een lidwoord gevolgd door een zelfstandig naamwoord met eventueel een bijvoeglijk naamwoord erbij. Er is hier dus sprake van parallellisme. Door het gebruik van een parallellisme in dit stukje tekst wordt duidelijk gemaakt dat er een bepaalde verbintenis bestaat tussen de regels in de eerste en tweede strofe. De lezer van het gedicht krijgt dankzij het parallellisme door dat dit stuk van de tekst bij elkaar hoort, wat belangrijk is als je kijkt naar het volgende gebruikte stijlfiguur.

Dit volgende gebruikte stijlfiguur is namelijk een schijnbare tegenstelling. De dichter heeft er, zoals bij beeldspraak al is uitgelegd, voor gezorgd dat er een omslag in het gedicht zit. Deze omslag komt na het stukje van de eerste twee strofen en gaat door tot het einde van het gedicht. Men gaat al snel denken dat deze omslag ook automatisch een tegenstelling betekent. Alleen wanneer je heel goed analyseert kun je opmerken dat het eerste stukje vooral bedoeld is als een 'objectieve' beschrijving van het uiterlijk van de stad bij morgenlucht als iets vies en lelijk en het tweede stukje van het gedicht vooral een beschrijving is van het gevoel dat de stad oproept, namelijk prettig en dynamisch. Omdat 'vies en lelijk' niet het tegenovergestelde is van 'prettig en dynamisch' is er in het gedicht dus geen sprake van een echte tegenstelling, ook al lijkt het erop dat de dichter dat wel wil doen vermoeden door het gebruik van deze schijnbare tegenstelling.

Het laatste stijlfiguur dat we in dit gedicht kunnen herkennen is een pleonasme in het stukje 'de zon is geel'. Er wordt hier namelijk nog eens extra verwoord dat de zon geel kleurt, iets dat hij altijd zal doen. Door dit pleonasme wordt in de laatste regel van het gedicht nog eens extra benadrukt dat Berlijn bij morgenlucht vooral positieve gevoelens oproept.

Rijm

In het hele gedicht is er alleen sprake van rijm tussen regel 7 en 9: ' als een blauw paard van Marc in 't luchtgareel / Berlijn / de zon is geel'. Het gaat hier om de eindrijm die de woorden luchtgareel en geel met elkaar vormen. Door het alleen laten rijmen van het laatste woord 'geel' met een ander woord, benadrukt de dichter nog eens extra hoe belangrijk dit woord is. Hij wil er dus voor zorgen dat het voor de lezers duidelijk is dat Berlijn vooral positief 'kleurt' en positieve gevoelens oproept.

Samengevat

Het gedicht Berlijn beschrijft het visuele beeld dat de stad Berlijn maakt op iemand. Door zo min mogelijk dimensies te geven in de beschrijving van Berlijn, doet het gedicht een soort schilderij van de stad schetsen. De dichter heeft duidelijk gemaakt dat de stad er lelijk en vies uitziet, maar desondanks vooral positieve gevoelens oproept, zoals 'prettig' en 'dynamisch'.

Berlijn beschrijft de visuele indruk die de genoemde stad maakt op een waarnemer, een indruk van smoezeligheid die gedomineerd wordt door (desondanks) positieve gevoelens. 

 

Graf

Dit is haar graf, onder de jonge linden

vergaan haar handen en haar zachte ogen.

Moet men geloven dat wie haar beminden

haar eens hervinden en herkennen mogen?

Poëzieanalyse 

Het gedicht heeft een traditioneel rijmschema. Het gedicht is erg kort en hier zit waarschijnlijk een onderliggende gedachte achter. Zo gaan wij er vanuit dat de schrijver door het gebruik van zo min mogelijk regels probeert te suggereren dat hij het zo erg vindt, dat hij er haast geen woorden voor heeft. Het zou ook goed kunnen zijn dat hij dit niet eens met opzet heeft gedaan, maar dat hij op het moment van schrijven nog heel verdrietig was met het verlies van de dierbare waar hij over dicht.

De titel van het gedicht is ook erg kort en bondig en weet de inhoud toch goed samen te vatten. Het gedicht zelf gaat er namelijk over wat er met je gebeurt nadat je begraven bent, dus wat er in je 'Graf' gebeurt.

Het gedicht is een heel kort verhaal van wat er gebeurt na de begrafenis van iemand. Het lichaam vergaat en na een tijd komen dierbaren weer bij haar in 'de hemel'. Alleen door het eerder genoemde proces zou ze niet meer te herkennen zijn.

Rijm

In het gedicht is er sprake van gekruist eindrijm. Het gaat hier om de woorden 'linden - beminden' en 'ogen - mogen'. Bij deze twee rijmparen is ook beiden sprake van volrijm. Deze gekruiste eindrijm is gebruikt om het gedicht mooi en vloeiend te laten klinken. Het laat lijken alsof er sprake is van een bepaalde rust, ook al doet de inhoud van de tekst niet vermoeden dat de dichter er 'rust mee heeft'. Er wordt op deze manier dus een bepaalde spanning gecreëerd tussen de klank van de woorden en de betekenis van de woorden.

In de eerste twee regels van het gedicht is er verder nog tweemaal sprake van assonantie. Het gaat hier om de woorden 'Onder - jonge', die beiden een 'o' klank hebben en de woorden 'handen - zachte' die allebei een 'a' klank hebben. Er is in de eerste twee zinnen waarschijnlijk voor assonantie gekozen om duidelijk te maken dat de zinnen met elkaar verbonden zijn. De logica van dit verband zie je goed als je gaat kijken naar de vorm van rijm die in de laatste twee regels is gebruikt.

In de laatste twee regels is er namelijk sprake van alliteratie bij de woorden 'moet - men' en 'hervinden - herkennen'. Door in de laatste twee regels ook te kiezen voor een gelijke manier van rijm, worden deze regels ook met elkaar verbonden. Er ontstaan zo dus binnen één strofe wel twee gedeeltes. Deze opsplitsing in twee gedeeltes van het gedicht doet vermoeden dat de schrijver een bepaalde spanning wilde creëren tussen de regelparen.

De laatste vorm van rijm in het gedicht is rijk rijm. Het gaat hier om het in iedere regel minimaal een keer herhalen van het woord 'haar'. De dichter heeft dit duidelijk gedaan om te laten blijken dat hij nu alleen nog maar aan 'haar' kan denken en zij dus ook het belangrijkste is (in het gedicht).

In het gedicht is maar twee keer sprake van beeldspraak en dit is ook twee keer dezelfde vorm van beeldspraak. De schrijver gebruikt namelijk twee keer een metonymia verband, waarbij een deel voor het geheel staat. De eerst keer is wanneer hij zegt 'de jonge linden', dit staat namelijk als beeld voor het object 'alles wat zich boven het graf bevindt, dus ook de grond'. De tweede metonymia is in het stukje 'haar handen en haar zachte ogen' terug te vinden. 'haar handen en haar zachte ogen' staat hier namelijk als beeld voor het object 'haar hele lichaam'. Voor deze twee beeldspraken is vermoedelijk gekozen om ervoor te zorgen dat alles wat minder hard klinkt.

Stijlfiguren

Het hele gedicht door is er sprake van inversie. Het gaat hier bijvoorbeeld om de stukjes 'onder de jonge linden / vergaan haar handen en haar zachte ogen', 'moet men geloven', 'wie haar beminden', 'haar beminden / haar eens hervinden en herkennen mogen'. De keuze om geen standaard zinsvolgorde te hanteren in dit gedicht, heeft als rede dat de zinnen zo veel mooier in elkaar overlopen en het gedicht prettig te lezen valt, want wanneer het gedicht overal een goede zinsvolgorde zou kennen, zou het totaal niet meer klinken.

In het gedicht is verder ook twee keer sprake van een opsomming, namelijk bij 'haar handen en haar ogen' en bij 'hervinden en herkennen'. Deze opsommingen zorgen ervoor dat het lijkt alsof er meer gebeurt dan dat er in werkelijkheid gebeurt. 'haar handen en haar ogen' is namelijk een metonymia en had ook geschreven kunnen worden als 'haar lichaam'. 'hervinden en herkennen' had de schrijver ook kunnen vervangen door alleen 'hervinden', omdat eens dan automatisch als metafoor voor 'na de dood, in de hemel' zou staan.

'zachte ogen' is een pleonasme. Dit pleonasme zorgt ervoor dat het woord ogen mooier en vriendelijker verwoord wordt. De schrijver maakt met dit pleonasme het beeld van 'haar' als een vriendelijk mens.

Eufemisme speelt in dit gedicht ook een belangrijke rol. Zo is 'onder de jonge linden' er een voor 'onder de grond', 'haar handen en haar zachte ogen' voor 'haar lichaam', 'haar eens hervinden mogen' voor  'ook dood gaan'. Deze eufemismen zorgen ervoor dat het gedicht minder zwaar is om te lezen, maar de boodschap toch even krachtig blijft.

Het gedicht eindigt met een retorische vraag, namelijk ' Moet men geloven dat wie haar beminden / haar eens hervinden en herkennen mogen?' Met deze retorische vraag wordt de lezer echt aan het denken gezet. Deze retorische vraag is de stijlfiguur die het gedicht extra krachtig maakt en ervoor kan zorgen dat de lezer na gaat denken over de dood, iets dat goed bij Hendrik Marsman past.

Samengevat

Door het gedicht zo kort en bondig mogelijk te houden, mooie beeldspraken voor allerlei 'erge' zaken te gebruiken en te eindigen met een sterke retorische vraag, zorgt de dichter ervoor dat het gedicht op de lezer veel impact kan hebben.

 

Vlam

Schuimende morgen

en mijn vuren lach
drinkt uit ontzaggelijke schalen
van lucht en aarde
den opalen dag 

 

Poëzieanalyse

Het gedicht begint met een strofe van maar één regel en de volgende strofe is een kwatrijn.  Het vrij grote verschil in lengte van de eerste strofe ten opzichte van de tweede strofe is erg opvallend. Het lijkt erop dat de open ruimte tussen de eerste en tweede strofe puur bedoeld is om ruimte te geven aan het gedicht. De titel doet vermoeden dat het gedicht iets met vuur te maken heeft, terwijl je na het lezen van het gedicht erachter komt dat dit puur metaforisch bedoeld is. De verwachting die de titel schept voldoet dus niet aan het uiteindelijke beeld dat de lezer heeft van het gedicht.

Beeldspraak

Na de eerste keer lezen van dit gedicht is direct duidelijk dat beeldspraak een erg belangrijke rol speelt. Bijna alle woorden die worden gebruikt, behoren wel tot een vorm van beeldspraak.

De eerste beeldspraak die je tegenkomt is 'schuimende morgen'. Dit is een vergelijking zonder als. 'schuimende' is hierin het beeld en het object is 'morgen'. De morgen wordt hierdoor voorgesteld als iets dat overvloed kan bieden.

'lach' is een metafoor voor het object 'mond'. Door de mond als een lach te beschrijven, wordt aangegeven dat er sprake is van een blij gevoel, er is vreugde.

'vuren lach' is een  vergelijking zonder als. Het beeld is 'vuren' en het object is 'lach'. Door de lach hier te vergelijken met 'vuren' wordt deze als iets dat nog krachtiger is dan een gewone lach voorgesteld.

 'mijn vuren lach' is een metonymia voor het object 'ik'. Door deze metonymia wordt de ik-figuur als één en al krachtige vreugde voorgesteld.

'drinkt' is hier metafoor voor het object 'opnemen, ervan genieten'. 'de opalen dag', die later in het gedicht voorkomt, wordt hierdoor als iets beschreven waar je van kan genieten.

'ontzaggelijke schalen' is een vergelijking zonder als. Het beeld is hier 'ontzaggelijke' en het object 'schalen'. Door de schalen als ontzaggelijk te beschrijven, wordt aangegeven dat 'de schalen' enorm groot zijn.

'schalen / van lucht en aarde' is een vergelijking met als. Zoals met 'ontzaggelijke' al werd aangegeven, worden enorme schalen bedoeld in dit gedicht. Wanneer men 'lucht en aarde' als schalen zou voorstellen, gaat het hier ook meteen om iets enorm groots. 'lucht en aarde' moet in dit gedicht worden gezien als een dimensie van de ruimte, iets dat een schaal in het klein ook is. Deze dementie wordt later in het gedicht gevuld met 'de opalen dag', wat als beeldspraak gezien moet worden. 'lucht en aarde' nemen 'de dag' met zich mee, deze bevind zich hiertussen. Door deze vergelijking worden ook twee extra elementen genoemd in het gedicht. Men kan nu zeggen dat alle vier de elementen, in een bepaalde vorm, voor zijn gekomen in het gedicht. We hebben namelijk 'vuren' voor vuur gezien, 'drinken' voor water en 'lucht en aarde' voor lucht en aarde.

'de opalen dag' is een vergelijking zonder als. 'opalen' is hier het beeld en 'dag' is hier het object. De dag wordt door de vergelijking met de edelsteen 'opaal' als iets moois omschreven.

Rijm

De meest opvallende vorm van rijm in dit gedicht is de eindrijm van tussen 'lach - dag'. Door deze rijm wordt heel duidelijk gemaakt dat er een verband is tussen 'lach' en 'dag', wat extra moet benadrukken dat de ik-figuur de dag met een lach tegemoet gaat.

Verder is er een keer sprake van binnenrijm, namelijk tussen 'opalen - schalen'. De functie van deze binnenrijm is waarschijnlijk het extra nadruk leggen op opalen, om nog een keer duidelijk te maken hoe mooi de dag is.

In het gedicht is veelvuldig gebruikt gemaakt van de klinkerrijm op de klanken 'a' en 'aa'. De klinkerrijm op 'a' vind je in de volgende woorden terug: 'lach', 'ontzaggelijke' en 'dag'. De klinkerrijm op 'aa' vind je in 'schalen', 'aarde' en 'opalen' terug.

De laatste rijm die in dit gedicht gevonden kan worden, is voorrijm. Dit verband is er namelijk tussen de woorden 'en - den' aan het begin van regel twee en vijf. Deze voorrijm zorgt ervoor dat de tweede strofe duidelijk een geheel is. 'en' geeft het begin van de eerste regel van dit geheel aan en 'den' kondigt de laatste regel aan.

Stijlfiguren

'van lucht en aarde' is een opsomming. Deze opsomming is gemaakt om ervoor te zorgen dat alle vier de elementen in het gedicht terug komen, zoals bij beeldspraak al is uitgelegd.

Samenvatting

Het gedicht gaat over iemand die inziet dat de morgen belangrijk is voor de rest van de dag en bepaald wat het hem gaat bieden. Dit legt hij in de eerste strofe uit. Ook ziet hij in dat de morgen hem heel veel kan bieden, wat wordt uitgelegd in de tweede strofe. Hij geeft namelijk aan dat hij met grote vreugde de dag 'drinkt', wat moet worden geïnterpreteerd dat hij de dag nuttig gebruikt en het 'drinken' niet laat staan. Dit alles brengt hem tot het inzicht dat de dag zo mooi is als een 'opaal'.

 

Invocatio

Laat mij in uwer haren mantel slapen

en leg uw donker om mijn wilde hart,

verban het licht uit mijner oogen dalen

en vouw uw venster open in den nacht.

 

want ik ben moe, de dag heeft mij geslagen

met vuur en wijn uit zijn verweerde bron

mijn angst versteende teere rozenhagen:

ik ben een blindelings bezetene van zon.

 

omhul mijn hoofd en laat de schuwe handen,

verborgen in de schee van uw gewaad,

zich ankren mogen aan de heuvelflanken,

waardoor de hartslag van den schemer waart.

 

en neem mijn mond, want haar verdroogde vlammen

verzengen naar de schaduw van uw bloed,

bedauw mijn stem met schemerende glanzen

en gord mijn oogen aan met zachten moed.

 

laat mij in uwer haren mantel slapen

en leg uw donker om mijn wilde hart,

verban het licht uit mijner oogen dalen

en vouw uw venster open in den nacht.

 

 

Poëzie analyse

Het gedicht is erg traditioneel in strofen verdeeld. Het gedicht geeft op het eerste gezicht de indruk dat het een traditioneel rijmschema heeft, namelijk: ABAB CDCD EFEF GHGH ABAB. Maar wanneer men goed gaat kijken naar het eindrijm van de regels, ziet men dat er haast geen spraken is van volrijm. Daarvoor in de plaats is er vooral gebruik gemaakt van halfrijm (assonantie), waardoor het 'traditionele' rijm van het gedicht, eigenlijk helemaal niet zo 'traditioneel' is. Het lijkt erop dat er bewust is gekozen om het gedicht traditioneel te laten lijken, maar toch niet traditioneel te laten zijn. Het zou geïnterpreteerd kunnen worden als een soort 'onopvallende' afzet tegen het traditionele, wat Marsman normaal gesproken wel heel opvallend doet in zijn gedichten.

De titel van het gedicht geeft het gedicht ook nog eens een bepaalde vorm van traditie. Invocatio is namelijk een term uit het Latijn.  het betekend dat de dichter in een stuk tekst om de hulp van een god vraagt, om hem inspiratie te schenken.  Literaire werken in de oudheid begonnen vaak met een Invocatio (invocatio.nl). 'Een voorbeeld van een invocatio is de eerste zang van de Ilias van Homerus (vertaling Carel Vosmaer, 1879-80):Zing ons den wrok, o godinne, van Peleus’ zone Achilleus, D’ onheilvollen, die rampen bij duizenden over d’ Achaiërs Bracht en ten Aïdes zond veel dappere zielen der helden, Doch hunne lijken aan honden en allerlei roovende vogels Gaf tot een prooi – want zóo kwam daar Zeus’ wil tot vervulling – Sedert den dag dat het eerst zich door twist vijandig verdeelden Atreus’ zoon de regeerder des volks en de godlijk’ Achilleus.' (Citaat van invocatio.nl).

Wanneer je dit voorbeeld van een traditionele invocatio vergelijkt met het gebruik van alleen het woord 'invocatio', wordt al snel duidelijk dat het woord 'invocatio' ook gebruikt wordt als (nu wat opvallender) afzet tegen het traditionele. Het geeft namelijk wel de schijn van iets traditioneels, net als het rijmschema, maar is eigenlijk niet traditioneel.

De vorm en het rijmschema van het gedicht doen dus vermoeden dat het gedicht zich door de schijn van traditie juist probeert af te zette van het traditionele.

Rijm

Binnen het gedicht valt de rijm aardig op. Het hoofddoel van de rijm lijkt niet het benadrukken van sommige woorden te zijn, maar de suggestie wekken dat er sprake is van traditie, terwijl dat eigenlijk niet is.

In het gedicht is middenrijm te vinden in de stukjes: 'oogen - open', 'verweerde - tere' en  'schuwe - uw'. Deze stukjes middenrijm zijn allemaal klinkerrijm en nergens volrijm.

Eindrijm is, zoals al eerder verteld, erg opvallend in dit gedicht. Er is namelijk sprake van een gekruist rijmschema, waarbij de woorden die eindrijm vormen allemaal geen volrijmen maar klinkerrijmen zijn (op 'geslagen - rozenhagen', 'bron - zon', en 'bloed - moet' na). Dit om, zoals al eerder uitgelegd, het gedicht af te zetten tegen het traditionele. De eindrijm is t zien tussen de woorden: 'Slapen - dalen', 'Hart - nacht', 'Geslagen -  rozenhagen', 'Bron - zon', 'handen -  heuvelflanken', 'gewaad - waart', 'vlammen - glanzen', 'bloed - moed', 'slapen - dalen' en 'hart - nacht'.

Er is één keer sprake van alliteratie in het gedicht, namelijk tussen 'blindelings - bezetene'.

Beeldspraak

'Laat' kan in dit gedicht gezien worden als een metafoor voor het object 'verlangen'. Door deze metafoor wordt meteen aan het begin van het gedicht aangegeven dat er ergens naar verlangd wordt, iets dat verderop in het gedicht genoemd wordt.

'uwer haren mantel' is een vergelijking zonder als. Het object 'haren' wordt hier voorgesteld als een 'mantal'. Door deze vergelijking wordt 'haren', dat ook als metonymia voor vrouw diend, vergeleken met iets dat bescherming en intimiteit biedt.  

'uw donker' is een metafoor voor het object 'mantel',  en staat dus ook voor 'bescherming' en 'intimiteit'.

'mijn wilde hart' is een metonymia voor de ik-figuur. Door de ik-figuur als een wild hart voor te  stellen wordt aangegeven dat het hier om een 'staat van opwinding' gaat. Het hart van de ik-figuur klopt dus zo wild omdat hij opgewonden is.

'leg uw donker om mijn wilde hart' is dus een metafoor voor 'schenk uw intimiteit aan mij, in mijn opgewonden toestand'. Het lijkt erop alsof er in dit gedicht ook qua inhoud spraken is van een suggestie van traditie, terwijl het dat juist niet is. Er worden namelijk allemaal mooie termen gebruikt zoals 'hart', terwijl het gedicht alleen over 'intimiteit' lijkt te gaan en helemaal niet veel diepgang biedt.

'het licht' is hier een metafoor voor 'onbeschermd', 'niet intiem'. 'licht' is namelijk het tegenovergestelde van 'donker'.

'mijner oogen dalen' is een vergelijking zonder als, waarbij 'mijner ogen' met het beeld' dalen' wordt vergeleken.  'mijner oogen' wordt door deze vergelijking een metonymia voor het object 'de ziel'. Door 'de ziel' met 'mijner oogen'  te vergelijken, wordt duidelijk gemaakt dat toestand waarin 'de ziel' zich bevindt, zichtbaar is. Omdat het object 'de ziel' hierdoor vergeleken wordt met het beeld 'dalen', is duidelijk gemaakt dat aan de ik-figuur te zien is dat hij diep in zijn gedachte (zijn ziel) verzonken is. Hij is fysiek dus wel aanwezig, maar met zijn geest is hij heel ergens anders.

'het licht uit mijner oogen dalen' is een vergelijking met als. Het object 'de ziel' wordt hier vergeleken met 'onbeschermd'.  Door deze vergelijking wordt duidelijk gemaakt dat de ik-figuur erg kwetsbaar is door de situatie waarin zijn geest zich bevindt. Door deze vergelijking te gebruiken, in combinatie met het woordje 'verban',  wordt aangegeven dat 'de intimiteit van de vrouw uit dit gedicht' de oplossing is om de ik-figuur van zijn verlangens te verlossen.

'uw venster' is een metafoor voor 'het lichaam van de vrouw in dit gedicht'.

'de nacht'  is een metafoor voor 'donker', 'intimiteit'.

'vouw uw venster open in de nacht' is een metafoor voor 'open uw lichaam voor mij, zodra ik vind dat het tijd is voor intimiteit'. De ik-figuur wil dat de vrouw hem toelaat 'bij haar binnen te komen'. Als het venster namelijk open is kan men van 'het lichte' 'het donkere' binnenstappen. Het woordje 'nacht' zet ook kracht bij dat duidelijk wordt om wat voor intimiteit het gaat, namelijk de intimiteit die mensen 's nachts hebben.

'ik ben moe' is een vergelijking met als. De ik-figuur is hier het object en het beeld is 'moe'.  De ik-figuur, die eerder werd beschreven als iemand die op dit moment verlangt naar intimiteit, wordt hier vergeleken met iemand die moe is en dus waarschijnlijk naar de nacht verlangt. Omdat de intimiteit van de vrouw in dit gedicht eerder vergeleken was met 'het donker' en 'de nacht', benadrukt deze vergelijking dus dat de vrouw in dit gedicht echt het enige is waar hij op dit moment naar verlangt.

'moe' is in dit gedicht dus ook een metafoor voor  'verlangen naar intimiteit naar de vrouw in het gedicht'. Door moe, iets dat de meeste mensen zijn na een periode van inspanning, te vergelijking met 'verlangen naar intimiteit naar de vrouw in het gedicht'  'de situatie waarin iemand zich in bevindt na veel inspanning', wordt dus aangegeven dat het verlangen naar haar vaker terugkeert. De intimiteit wordt hier dus als een soort behoefte afgeschilderd die zich met regelmaat voordoet.

'de dag heeft mij geslagen' is een personificatie. Het object 'de dag', dat ook metafoor voor het object 'het lichte' en dus ook voor 'een periode zonder bescherming (intimiteit)' staat, wordt hier vergeleken met iets dat schade toe kan brengen. Omdat deze personificatie dient als verdere toelichting voor 'het feit dat hij op dit moment verlangt naar intimiteit van de vrouw in het gedicht', kan uit deze personificatie worden opgevat dat dit verlangen 'de schade'  is van 'een periode zonder intimiteit'.

'vuur' is metafoor voor het object 'dag', 'het ontbreken van intimiteit'. Door dit 'ontbreken' hier te vergelijken met 'vuur' wordt extra nadruk gelegd op hoeveel ellende het 'ontbreken' kan aanrichten.

'wijn' is metafoor voor iets dat ervoor zorgt dat je niet meer helder kunt nadenken.

'zijn verweerde bron' is vergelijking zonder als. 'zijn' ('de dag') is hier het object dat wordt vergeleken met het beeld 'verweerde bron'. Door deze vergelijking wordt aangegeven dat hetgeen waar normaal kracht uit gehaald moet worden (de bron van de dag), nu aangetast is en niets meer te bieden heeft dat nog goed is.

'wijn uit zijn verweerde bron' is een vergelijking met als. Het 'niet meer helder kunnen nadenken' lijkt in deze vergelijking te komen 'uit' (een gevolg te zijn van) 'De dag die verder niets te bieden te heeft'.  Doordat er in 'de periode zonder intimiteit' (overdag) niets is dat de dichter iets te bieden heeft, komt de dichter dus in een toetstand dat hij niet meer helder en logisch kan nadenken.

'mijn angst' is een metonymia voor het object 'de ik-figuur in een moment van angst'. Door de hele ik-figuur te omschrijven als angst wordt benadrukt dat de ik-figuur heel erg opkijkt tegen 'de periode dat hij de intimiteit moet missen'.

'rozenhagen' is een metonymia voor 'alles dat mooi is'.

'teere rozenhagen' is een vergelijking zonder als.  Het beeld is 'teere' en het object is 'rozenhagen' (alles dat mooi is). Door alles dat mooi is te omschrijven als kwetsbaar laat de dichter zien dat het 'gemis van intimiteit' heel sterk is. Dit heeft er namelijk voor weten te zorgen dat zelfs 'alles dat mooi is' kwetsbaar is geworden.

'mijn angst versteende teere rozenhagen' is metafoor voor het object  'mijn angst voor het moeten missen van de intimiteit verpeste alles dat ik eens mooi vond in mijn leven'. Deze metafoor is eigenlijk een verdere toelichting voor 'het leven heeft de ik-figuur niets meer te bieden'. Er kan nu dus de volgende beredenering worden gemaakt:  Het doet de ik-figuur pijn dat hij de intimiteit overdag moet missen ->  De ik figuur is bang voor deze pijn -> Dit verpest alles dat eens mooi was in zijn leven -> Het leven heeft hem hierdoor overdag niets meer te bieden -> Dit versterkt het verlangen naar intimiteit (-> en hierdoor doet het de ik-figuur nog meer pijn dat hij de intimiteit overdag moet missen. Hij zit dus in een cirkel die het steeds erger maakt).

'een blindelings bezetenen ' is een vergelijking zonder als. Het beeld 'blindelings' wordt hier vergeleken met het object 'bezetenen'. Zowel het woord 'blindelings' als het woord 'bezetenen' kunnen worden opgevat als 'iemand die geen controle meer heeft over zichzelf'.

'een blindelings bezetenen van zon' is een vergelijking met als. Het object 'zon', 'een periode zonder intimiteit' wordt hier vergeleken met het beeld ' blindelings bezetenen'. Door deze vergelijking wordt 'een periode zonder intimiteit' beschreven als iets dat  'geen controle over zichzelf' tot gevolg kan hebben.

'ik ben een blindelings bezetene van zon.' Dit is een vergelijking met als. Het object 'ik' wordt hier vergeleken met het beeld 'een blindelings bezetene van zon'. Door de ik-figuur hier nadrukkelijk te vergelijken met 'iemand die geen controle meer heeft over zichzelf, door het ontbreken van intimiteit', wordt duidelijk dat de ik-figuur zelfs gewoon doorheeft wat de reden is voor het feit dat hij in de eerder genoemde 'cirkel' zit. Hij geeft namelijk als verklaring dat hij de cirkel niet kan doorbreken, doordat hij geen controle meer heeft over zichzelf (als het gevolg van het ontbreken van de intimiteit).

'omhul mijn hoofd' is metafoor voor het bieden van bescherming, 'intimiteit geven'.

'handen' is hier een metonymia voor 'de ik-figuur'. De keuze voor deze metonymia lijkt vooral gemaakt te zijn vanwege het rijm van 'handen' met 'heuvelflanken' en omdat het mooi past bij de eerder genoemde 'lichaamsdelen' van de ik-figuur in het gedicht.

'de schuwe handen' is een vergelijking zonder als. De ik-figuur wordt hierdoor nogmaals benadrukt als iemand die bang is.

'de schee van uw gewaad' is een vergelijking met als. Het object is 'uw gewaad' en het beeld is 'de schee'. Door deze vergelijking wordt het gewaad, de omhulsel van het lichaam, vergeleken met een omhulsel.  Aangezien een omhulsel bescherming biedt, iets dat in dit gedicht ook staat voor intimiteit, lijkt het erop dat de dichter bewust twee keer het begrip 'omhulsel' noemt met andere woorden. Dit legt namelijk extra nadruk op het feit dat de ik-figuur uit is op de bescherming, de intimiteit, die het omhulsel van de vrouw in dit gedicht te bieden heeft. Vanaf hier mag het nu best duidelijk zijn dat de ik-figuur zijn ziel alleen verlangt naar het lichaam van de vrouw.

'ankren' is hier een metafoor voor 'op zijn plaats houden'. Met deze metafoor wordt bedoeld dat de vrouw de ik-figuur toe moet laten haar bij zich te houden (vast te pakken).

'de heuvelflanken' is een vergelijking zonder als. Het object is hier 'flanken', 'de zijkant van' en het beeld is hier 'heuvel', 'hetgeen heuvelig gevormd is'. Hier is overduidelijk heel onthullend beschreven dat de ik-figuur de vrouw uit het gedichten bij de zijkant van haar borsten vast wil pakken.

'de hartslag' is een metafoor, waarmee waarschijnlijk het object 'de kracht achter' wordt bedoeld.

'den schemer' is een metafoor, waarmee het object 'de intimiteit' wordt bedoeld.

'de hartslag van den schemer' staat dus als metafoor voor 'de kracht achter intimiteit'. Er wordt hiermee dus eigenlijk gezegd dat de borsten van de vrouw uit het gedicht de kracht zijn achter zijn verlangen naar intimiteit. Het lijkt de ik-figuur hierdoor nogmaals alleen maar om haar lichaam te gaan.

'mijn mond' is een metonymia. Het staat als beeld voor de gehele ik-figuur. Door 'mijn mond' te noemen in deze regel wordt de erotische tint van het gedicht versterkt.

'verdroogde vlammen' is een vergelijking zonder als. Hierbij wordt het object 'vlammen' vergeleken met het beeld 'verdroogde'. 'vlammen' staat hier voor 'de dag', 'het ontbreken van intimiteit'. 'verdroogde' lijkt zowel in de letterlijke als de figuurlijke zin overbodig te zijn. 'vlammen' zijn namelijk altijd verdroogd en als iets 'ontbreekt' kan er ook wel over worden gezegd dat het 'verdroogd' is. Door 'verdroogde' toch te noemen, wordt overduidelijk extra benadrukt dat 'de intimiteit' heel erg 'ontbreekt'.

'haar verdroogde vlammen' is een vergelijking zonder als. Het object is 'haar', 'mijn mond', 'de ik-figuur' en het beeld is 'verdroogde vlammen', 'het ontbreken van intimiteit'. Door deze regel wordt de lezer nog eens duidelijk gemaakt dat de ik-figuur naar de intimiteit verlangt.

'de schaduw van uw bloed' is een vergelijking met als. Het object is hier 'uw bloed', 'het lichaam van de vrouw uit het gedicht', en het beeld is hier 'de schaduw', de intimiteit'. Door deze vergelijking wordt het lichaam van de vrouw dus benadrukt als hetgeen dat 'de intimiteit' is.

'mijn stem' is een metonymia. Het staat ook hier weer voor het object 'de hele ik-figuur'.  Om de bedoeling van 'mijn stem' beter te begrijpen, moet je er even van uitgaan dat alles in deze strofe letterlijk is.  Er is dan gezegd dat de mond van de ik-figuur is verdroogd (door de zon, de dag). Het gevolg van die droge mond is dat dit terug te horen is in zijn stem. Nu zegt de dichter in dit stukje ook 'bedauw mijn stem', wat dus inhoud dat zijn mond (stem) nat (het tegenovergestelde van droog) gemaakt moet worden. Wanneer we dan weer naar de figuurlijke zin van deze strofe gaan kijken, kunnen we tot de conclusie komen dat de ik-figuur zegt dat de vrouw hem moet 'bedauwen', 'intimiteit moet bieden'.

'schemerende glanzen' is een vergelijking zonder als.  Het object is 'glanzen' (het allermooiste van de dauw, dus het mooiste van de intimiteit) en het beeld is 'schemerende', 'nog niet helemaal donker', 'nog niet helemaal intiem'.

 

De regel 'bedauw mijn stem met schemerende glanzen' betekend dus waarschijnlijk: 'vervul mijn behoefte aan intimiteit, door langzaam steeds meer van je mooiste intieme zaken bloot te geven'.

'mijn oogen' is weer een metonymia voor de 'ik-figuur'.  

'zachten moed' is een metafoor voor het beeld 'een beetje intimiteit'.

'en gord mijn oogen aan met zachten moed.' Betekend dus 'vervul mijn behoefte met een beetje intimiteit'. Door deze zin lijkt hij wat minder te gaan eisen van de vrouw. Hij komt zo net wat vriendlelijker over dan in de rest van het gedicht.

Stijlfiguren

Er is sprake van inversie in alle regels, behalve in de regels van strofe twee. De regels met inversie beginnen allemaal eerst met een werkwoord, voordat er een onderwerp wordt genoemd. Door deze structuur worden bijna alle zinnen van het gedicht geschreven als een 'bevel'. Het lijkt erop dat de ik-figuur echt alles uit de kast moet halen om de vrouw over te halen, wat het beeld versterkt van de vrouw die de man in haar macht heeft.

Bij de regels waar inversie in voor komt, valt ook te stellen dat er bij iedere zin sprake is van parallellisme. De inhoud van alle regels, behalve de regels uit strofe twee, beginnen namelijk allemaal met een werkwoord gevolgd door twee metaforen. Het werkwoord valt in haast iedere zin te interpreteren als: 'bied mij'. Een van die twee metaforen betekent telkens ongeveer 'de ik-figuur' en de andere metafoor staat voor een woord dat neerkomt op 'de intimiteit van de vrouw uit het gedicht'.  Er wordt dus in iedere zin, behalve in strofe 2, gezegd 'bied mij je intimiteit', maar dan telkens met andere woorden.

De woorden die worden gebruikt om deze, eigenlijk vrij onfatsoenlijke zin te verkondingen, zijn telkens veel mooier of vriendelijker dan de betekenis die ze eigenlijk hebben. Het gedicht is dan ook overduidelijk een eufemisme. Dit is dan ook een mooi voorbeeld van gesuggereerde traditie (het lijkt een net en mooi gedicht, met prachtige woorden), maar het is in werkelijkheid helemaal niet zo net en er worden best 'erotische' verzoeken gegeven.

In het gedicht komt één keer een herhaling voor. Het gaat hier om de herhaling van de complete eerste strofe aan het eind van het gedicht. Door aan het eind van het gedicht weer opnieuw te beginnen met precies dezelfde tekst wordt het beeld van een herhalend proces versterkt. De ik-figuur zal altijd blijven verlangen naar de vrouw en zal haar blijven smeken om intimiteit.

Er is een tautologie te zien in de woorden: 'de schee van uw gewaad'. 'schee' en 'gewaad' betekenen namelijk allebei 'omhulsel'. Door deze tautologie wordt extra nadruk gelegd op het feit dat het de ik-figuur echt alleen maar om dit 'omhulsel' draait en niet om het innerlijk van de vrouw.

'verdroogde vlammen' is de laatste stijlfiguur die herkend kan worden. Dit is namelijk een pleonasme, omdat vlammen altijd droog zijn. Dat het woordje 'verdroogde' nog voor 'vlammen' staat heeft waarschijnlijk als reden om zo het beeld van het 'ontbreken van de intimiteit' te versterken.

Samenvatting

In het gedicht is met meerdere zaken geprobeerd om het een suggestie van traditie te doen uitstralen, maar dan juist niet traditioneel te laten zijn. Het gedicht is geschreven vanuit het oogpunt van iemand die een vrouw met een hele boel verschillende woorden telkens om intimiteit vraagt. Hij geeft in zijn gedicht maar in één strofe uitleg waar dit verlangen zo sterk door is geworden en lijkt verder totaal niet stil te staan bij de vraag of hij het wel kan maken om de vrouw om zulke 'intieme' dingen te vragen. Door de vergelijking van de intimiteit van de vrouw met de nacht wordt duidelijk hoe erg afhankelijk de man is van deze intimiteit. Naast het feit dat het verlangen iedere avond weer terug keert, komen we ook te weten dat de ik figuur zo afhankelijk is dat hij zonder de intimiteit niet eens meer logisch kan nadenken. Het verlangen geeft de man dan ook een bepaalde ondergeschikte plaats, de vrouw heeft hem als het ware in haar macht.

Gebruikte bronnen

invocatio.nl. (sd). Wat betekent Invocatio. Opgeroepen op Maart 12, 2014, van Invocatio: http://www.invocatio.nl/index.php?p=2&n=Wat%20betekent%20Invocatio